Sunday, October 23, 2005

 

Kouango

Dankzij alle verhalen over geweld en bedreigende situaties voel ik me hier nog steeds niet helemaal op mijn gemak. Daar komt bij dat ik nogal verlegen van aard ben, dus ik heb nogal wat te overwinnen op dat vlak. Het is bijvoorbeeld pas sinds een week, dat ik me in Bangui in korte broek durf te vertonen. Dat is toch een beetje jezelf blootgeven. Het aardige is dat ik in Mobaye meteen en met veel plezier in korte broek rondliep.
Wat ook onzeker maakt is, dat ik bepaalde tekenen niet herken als potentieel bedreigend. Laatst reed ik met Helmut naar het vliegveld. Ineens begon hij – in toenemende mate geagiteerd – te roepen dat ik aan de kant moest stoppen. Ik reageerde niet meteen, begreep niet precies wat hij zei, en ik zag al helemaal geen aanleiding voor een dergelijke actie. Nu blijkt het zo te zijn, dat als een hotemetoot van A naar B gaat, hij wordt voorafgegaan door drie auto’s met militairen daarin. Dat zijn niet als zodanig herkenbare auto’s. Althans niet voor mij, toen. (Bovendien was ik voornamelijk gericht op de gaten in de weg.) Maar de mensen hier hebben er een fijn gevoel voor ontwikkeld. Helmut vertelde me van een taxi, die wel gestopt was, maar onvoldoende naar de kant had gestuurd. Eén militaire auto was afgehaakt en was net zolang op de taxi ingereden totdat hij wel voldoende aan de kant stond.
Iets dergelijks was er laatst. Ik bof wel steeds dat er iemand bij me in de auto zit die me erop kan wijzen. Toevallig moest pere Felix dezelfde kant uit als ik en ik had hem gevraagd of hij mee wilde rijden. Ineens zei pere Felix dat ik moest stoppen. Ik wilde al naar de kant sturen, maar nee dat was niet nodig. En ineens zag ik al het verkeer om me heen stoppen. Nu steken er te pas en vooral te onpas mensen over, maar als er een militair met een wapen oversteekt en hij blijft halverwege staan, dán is het niet de bedoeling dat je hem passeert. Een paar dagen later gebeurde het weer. Nu was ik alleen, maar gelukkig was ik nu in staat om de tekenen te lezen.
Dit soort dingen maken het niet gemakkelijker om me te ontspannen, maar gaandeweg ontstaat er wel steeds meer gewenning en dat is erg plezierig.
Zo was er enkele dagen geleden het uitje naar kilometer cinq. Kilometer cinq is een markt, waarvan Peer me zei hem te mijden en áls ik er dan toch langsmoest met gesloten deuren en ramen. Pere André, die hier jaren de scepter zwaaide zei iets dergelijks en in de reisgids staat dat het een bolwerk is van dieven, boeven en messentrekkers. Pere Felix is er geboren en getogen en vindt het allemaal onzin. Een interessante tegenspraak nietwaar? Wie heeft er nu gelijk? Er is natuurlijk maar één manier om dat uit te vinden en dat is zelf kijken.
Pere Felix had me al eens uitgenodigd mee te gaan en het was er nog niet van gekomen. Het schikte niet of ik durfde niet. Afijn, een paar dagen geleden liepen we samen naar buiten. Hij naar km 5 en ik naar het internet. Nadat onze wegen scheidden, liep ik nog een minuut verder toen ik me ineens bedacht dat het nu of nooit moest zijn. Ik holde dus terug, achter Felix aan. En een bekijks dat je dan hebt, ach, ach. Het kon me allemaal even niet schelen, want in de verte zag ik de veilige Felix. Felix was blij verrast. Natuurlijk wilde hij me km 5 wel laten zien. Graag zelfs.
We namen voor een gedeelte een taxi. Ook al zo’n - voor mij spannende - onderneming. En vlak voor km 5 stapten we uit. Niet één keer heb ik me bedreigd gevoeld. Het is een leuke markt met echt van alles te koop. Felix liet me van alles zien. Bijvoorbeeld de verrukkelijke chenilles. Dat is een soort gebraden duizendpoot, ook als zodanig herkenbaar, brrrrrrrr ..... En natuurlijk moest ik de fameuze palmwijn proberen (een ‘acquired taste, which I haven’t acquired yet’). Vervolgens deed het me erg aan Asterix en Obelix denken. Ik weet niet meer welk album, maar ergens worden Asterix en Obelix voorgesteld aan zowat de halve wereld, die dan allemaal familie blijkt van de gastheer. Om de haverklap kwamen we iemand tegen, die dan meer of minder hartelijk werd begroet en waarvan Felix dan achteraf zei, dat het zijn grote broer, kleine broer, zoon of dochter van ... , enzovoorts was. Een vriendschappelijke handdruk eindigt met een gezamelijke vingerknip. En als je mekaar echt lief vindt, dan buts je links en rechts met de voorhoofden tegen elkaar. Het is een andere wereld, maar zeker niet onvriendelijk en ook niet bedreigend. We liepen tussen de hutten door, over de erven van de bewoners, iets wat ik in mijn eentje nooit zou hebben gedurfd. Overal hebben ze diepe putten, waaruit ze schoon water halen. De huizen zijn van gedroogde stenen. En dat wil in de regentijd wel eens voor problemen zorgen, omdat de huizen dan soms in elkaar zakken als ze te nat worden. Natuurlijk gingen we op bezoek bij verschillende mensen. Als het geen familie was, dan was het wel een vriend. De familie definities liggen iets anders dan bij ons. Ik had al uitgevist dat Felix een broer en een zus had. Maar nu leek toch wel de wonderbaarlijke vermenigvuldiging te hebben plaatsgevonden. En ja, Felix zijn grootvader had dertig kinderen gehad, die Felix – vanuit het Afrikaanse perspectief – allemaal als zijn ouders beschouwde. En vandaaruit extrapolerend had hij natuurlijk ook heel wat broers en zussen. De kinderen daarvan waren weer neven en nichten. Dat is dan weer eenduidiger dan bij ons, want daar ontstaat bij ons natuurlijk de verwarring. Afijn, en dat allemaal in steenkolen Frans. Ik schrijf het nu wel zo snel op, maar het duurde natuurlijk een hele poos, voordat we hier gearriveerd waren.
Alles lijkt hier wel gemuteerd te zijn. Alles is hier groter dan ik gewend ben. En dat geldt ook voor onweer. De wolken zijn ook werkelijk fysiek groter dan in Europa, dat zal ermee te maken hebben. Ik kan me voorstellen dat ze – zoals de Eskimo’s veel woorden voor sneeuw hebben – hier veel woorden voor bliksem hebben. Als hij vlakbij inslaat, dan is er eerst een fluitend geluid alsof er een granaat over je hoofd vliegt, gevolgd door een krakende klap. Als het verderop inslaat dan heb je de rollende donder. ‘So, what’s new?’ zal je je afvragen. Ja, dat is lastig te omschrijven, maar zoals gezegd : alles is hier groter en de bliksem en de donder vormen daarop geen uitzondering. Het komt - denk ik - nog eens extra goed uit de verf doordat er geen demping ontstaat door een laag van dubbelglas. Bovendien is het hier ’s nachts heel donker, zodat het weerlicht wel echt opvalt. En als laatste is daar de achtergrondroffel van de regen. De Engelsen zeggen dat weer zo mooi : ‘when it rains, it pours’. En dat op een golfplaten dak. Alles bij elkaar heel indrukwekkend om dat – vanaf de veranda – te aanschouwen.
Gisteren mocht ik met soeur Marie Monique (uit Besançon) naar Kouango. Ze was alleen, dus ik had gezegd dat ze mee mocht nemen wat ze wilde. De dag begon met regen, regen en nog eens regen. En zoals gezegd : Kouango wordt dan glad en link. Later op de dag droogde het mooi op. De zuster had gevraagd of ik haar kon komen halen en we hadden afgesproken om twee uur ’s middags. Zo kon ik na de lunch vast even de meteo bekijken, een vliegplan indienen en tanken. En, ik was toe aan een nieuwe uitdaging. Ik wilde wel eens meemaken wat nu het verschil was tussen wel of niet strepen dragen. Ik liep dus in mijn korte broek, sandalen en T-shirt bij de meteo naar binnen. Geen kik. Geen centje pijn. Alles ging goed. Edoch, bij het indienen van het vliegplan ging het fout. De meneer achter de balie keek me nadrukkelijk nors aan. ‘U is nieuw hier zeker?’ was zijn openingszin. ‘Nou, laat me uw vliegbewijs dan maar eens zien’. Nu heb ik dus nog geen vliegbewijs, maar een tijdelijk vodje, wat hij aan alle kanten bekeek, bevoelde en besnuffelde. Vervolgens vroeg hij of ik toestemming had om naar Kouango te gaan. De AMBB heeft toestemming tot januari voor alle velden in de CAR. Hij betwijfelde dat. Volgens hem mocht ik alleen maar naar Bambari en Bangassou. Dat stond op mijn tijdelijk vliegbewijs. Het duurde even, voordat ik hem aan zijn verstand had gepeuterd, dat dat slechts de naam was van ‘het bedrijf’ waarvoor ik werkte. AMBB staat voor Aviation Missionaire Bambari Bangassou. Afijn, het duurde alles bij elkaar een uur, waardoor ik niet meer kon tanken. Maar het was een goede ervaring.
Op weg naar de zuster moest ik weer stilstaan omdat er militairen met geweren midden op de weg stonden te staan. Ze hebben hier allemaal gewoon het magazijn erin zitten. In Nederland hadden we het magazijn altijd in onze broekzak om ongelukken te voorkomen. Hier niet. In de rechtervleugel van ons vliegtuig zit ook een mooi rond gat. Op krap een centimeter vanaf de benzine tank. Dat was ook een ongelukje. Ik heb het er niet op.
Bij de zuster gearriveerd bleek dat ze mijn uitnodiging om alles mee te nemen wat ze wilde zeer ruim had geinterpreteerd. Ze had twee vijftig kilo zakken meel. Vijf autobanden (niet gewone, maar terrein banden van grote terreinauto’s), vier stoelen en talloze dozen.
Het duurde even voordat we dat allemaal in de auto hadden (een grote Toyota Landcruiser) en ik zag het eerlijk gezegd nog niet helemaal gebeuren dat alles mee zou gaan in het vliegtuig.
Op twee banden en twee stoelen na ging alles mee. Maar toen stond ik wel smerig te zijn in slechts mijn ooit witte hemd (dus geen T-shirt, geen OVERhemd, maar hemd). Zo arriveerde ik – met korte broek, smerig hemd, bezweet – op het platform om te tanken. Dit was nog eens de overtreffende trap van ‘geen strepen’, maar ik had er zin in. De mensen van de benzine konden het wel waarderen, geloof ik. De verschillende ‘hoge omes’, die altijd even nieuwsgierig komen kijken deden net of hun neus bloedde. Kortom, no problem. Even later waren we onderweg. Alles bij elkaar was het nu toch al half vier en dat is toch al wel weer laat. Ik maakte me niet zozeer zorgen over in de nacht terugkeren, als wel over het in de nacht van het vliegveld naar huis rijden. Maar zo ver was het nog niet. Eerst kon ik genieten van een heerlijke vlucht. Aangezien we Kouango niet aan de lijn kregen maakten we onze aankomst bekend door laag over de rivier, langs de kerk te scheren. Soeur Marie Monique vond het maar wát leuk om haar plekje vanuit dit perspectief te bekijken. Ze werd er helemaal spraakzaam van. Maar nu ging ik toch beter opletten, want dit was nu dat glibberige veld en – hoewel het al een paar uur droog was – wilde ik me toch niet laten verrassen. En verrassingen zouden werkelijk verrassingen zijn, want ik vond het veld er helemaal niet link uitzien. Kortom, ik was extra op mijn hoede toen ik de landing inzette. Het werd een landing zoals het hoort en tijdens het uitrollen begon ik me al te ontspannnen, toen het vliegtuig ineens een rare beweging maakte. Het gebeurde met hoge snelheid, het voelde raar, maar er gebeurde verder niks en we kwamen zonder ongelukken tot stilstand. Dus ik vroeg me af wat we nu eigenlijk tegen waren gekomen. Ik heb bijvoorbeeld op de natte grasmat van Ameland met dwarswind wel eens een slippertje gemaakt en dat voelde heel anders. Nadat ik was uitgestapt snapte ik het wel. We waren met een noodgang door een modderplas ge-aquaplaned. De cargopod was zwart en het spoor werd naar achter toe steeds breder, totdat achteraan de staart van onder tot boven bemodderd was. Als ik hier nu met mijn blinkend witte overhemd met strepen had gestaan was het toch echt geen porum geweest. Nu – met een bezweet en vuil hemd – klopte het gewoon helemaal. En hoewel ik dagen lang gezweet en gezwoegd had op een schoon vliegtuig, vond ik dit eigenlijk wel iets van een uitzonderlijke schoonheid. Een bushvliegtuig hoort eigenlijk wel onder de modder te zitten. Dat klopt eigenlijk wel. Helaas had ik nou net niet mijn fototoestel bij me. Nou ja.
De terugweg was bijzonder mooi. De laagstaande zon scheen me recht in de ogen en daar houd ik wel van. Zo - in mijn eentje en met weinig benzine - ging het vliegtuig naar boven als een ‘homesick angel’. Op 13000 ft vond ik het wel genoeg. Het lichtspel met de wolken en de zon was fenomenaal. Ooit wel eens gedroomd over hoe het zou zijn om door de ‘silver lining’ van een wolk te vliegen. Evenlater vloog ik door wat wolkenflarden. Het zicht naar beneden was nihil en de zon werd zo nu en dan gedempt door een flard. Het voelde net alsof ik me door een moeras bewoog met opkomende dampen. Heel bijzonder.
En zo stond ik om tien voor half zes weer aan het dek. Ik was zo onder de indruk van de vlucht, dat ik de reactie van de sentinel (die altijd op het vliegtuig past) niet helemaal kon plaatsen. Ik was nog niet goed en wel gestopt of de anders onderkoelde Samuel bulderde het uit van het lachen. Hij had mij dagenlang zien poetsen en kijk nu eens. Toen ik ook weer op aarde was geland ( het duurt bij mij altijd even voordat ik arriveer), snapte ik waarover het ging en kon ik hartelijk meelachen. Het duurde alles bij elkaar wel tot zes uur voor ik het vliegveld verliet en daarmee stond ik dus nu voor de, door mij gevreesde, reis door het duister. Je hebt daar om te beginnen de militairen, die de politie op de kruispunten vervangt. Helmut had het al eens sinister benoemd met : ‘Ah ... ça commence ...’. Maar wat eigenlijk veel erger is, is dat de wegen onverlicht zijn. De tegenliggers hebben allemaal heel fout afgestelde koplampen, waardoor je de helft van de tijd verblind bent. En er bevinden zich heel veel voetgangers en een enkele fiets op de weg. Geen van allen verlicht. En de helft met de rug naar je toe. Jij ziet hun niet. Zij zien jou niet. Brrrrrr .... Dan duren de vijf kilometer naar huis heel lang. Maar, ik ben aangekomen. Pere Pierre was ook net terug van een weekje brousse en dat – zo vond Tanneguy – was voldoende aanleiding om de sleutel van het paradijs, zoals hij dat zo mooi noemt, te gaan zoeken.
Ik zal je zeggen dat de Pastis heel welkom omlaag gleed. Het is heerlijk thuiskomen zo.

Comments: Post a Comment

Links to this post:

Create a Link



<< Home

This page is powered by Blogger. Isn't yours?