Thursday, January 26, 2006

 

Warm en koud

Het droge seizoen is al een eind onderweg en dan wordt het – nadat het eerst kouder werd – steeds warmer. Toen gisteren op M’Boki de wielen de grond raakten, stond de buitentemperatuurmeter op negen-en-dertig graden Celsius. Het aardige was dat ie vanmorgen op een bepaald moment niet meer aanwees dan één graad. Maar toen was ik dan ook wel heel hoog. En temidden van al die temperatuurschommelingen, hoor ik dan op de radio dat in Nederland de eerste schaatsers al op het ijs staan en dat 2005 het warmste jaar was sinds men dergelijke dingen is gaan registreren.
Vannacht heb ik voor het eerst in M’Boki – bij Artsen zonder Grenzen – overnacht. Errug leuk. Ik heb nogal een hoge pet op van Artsen zonder Grenzen en dan is het natuurlijk super om eens in de keuken te kijken. Ze zitten heel comfortabel en schoon, maar wel zonder stromend water en maar heel beperkt licht. Dus weer eens ouderwets water putsen (mandien) in plaats van douchen en een boekje lezen bij het licht van een petroleum lamp. Petroleum wordt hier trouwens gewoon aan de pomp verkocht (als die er is). Of per drum. En het wordt niet alleen voor lampen gebruikt. Bijvoorbeeld de buitenboordmotor van Helmut loopt ook op petroleum.
De helft van de daken van de hutten zijn van traditioneel riet voorzien, de rest is golfplaat. Het is echt een gezellige en hechte club en zij vonden het ook leuk om eens een bezoeker te hebben. Er komen niet zo vaak bezoekers, want een retourtje Bangui – M’Boki is nogal prijzig : negenhonderd euro! Het is dan ook erg ver van Bangui vandaan : achthonderd-vijftig kilometer. Dat is net zover als Haarlem – Grenoble. En de weg ernaartoe is geen peage. Je staat er – aan de andere kant – ook niet gauw in de file. ‘Elluk fordeel hep su nadeel’, sprak een gevierd filosoof eens.
En dan komen de medische verhalen. Zo zitten er in het plaatselijk hospitaal een arts van de UNHCR en een arts van Artsen zonder Grenzen. De één is viroloog ofzoiets en de ander is huisarts. Op mijn vraag wie er dan de snijklussen waarneemt, werd mij lachend geantwoord dat die twee dat natuurlijk ook doen. In antwoord op mijn ongelovige toet werd mij toen verder uitgelegd dat de betere chirurgijnen hier, gewoon verplegers zijn. Er was er zelfs eentje héél erg goed, maar hij kon niet schrijven en lezen, dus wilde de post operationele zorg nog wel eens problemen opleveren.
Ze hebben natuurlijk ook niet altijd de benodigde spulletjes. Narcose hebben ze niet, maar ze hebben wel lokale verdoving. Alles gaat dus onder lokale verdoving en als de patient weer begint te kermen krijgt hij er gewoon wat bij. Ik weet nog wel dat een lokale verdoving niet doordrong tot de versplinterde botten van mijn been, toen ik in Nieuw Guinea verongelukt was.
Hechtdraad voor het hechten van wonden is een ander probleem. Ze hebben dat opgelost door op de markt visdraad te kopen.
Het komt wel erg houtje touwtje op mij over, maar ja. Je ziet dezelfde glunderende koppen als je je die bij vliegtuigmonteurs in de bush kunt voorstellen, wanneer die het ding tóch op de één of andere manier weer aan de praat hebben gekregen.

Vanmorgen nam ik een verpleger mee, die zijn werk moest overdragen aan een andere verpleger, die in Zemio zat. Of ik er niet tegenopzag om daar even aan te leggen. Nu ben ik nog niet in Zemio geweest en het lag op de route, dus : graag. Verder had hij heel veel bagage bij zich en toen ik het eindelijk gestouwd had riep hij verschrikt dat er nog iemand mee moest. Ik had alle plaatsen – behalve eentje – volgebouwd met bagage. Maar na wat gehannes had ik toch een tweede plaats gecreeerd.
Na een half uurtje vliegen waren we er al. De verpleger ging overdragen en ik ging Zemio bekijken. Zo kwamen we bij de AIM, oftewel de Africa Inland Mission. Die hebben een eigen vliegveld. Veel mooier dan de katholieken. We reden erop en het was alsof ik een plaatje binnenreed. Voordat ik naar Afrika ging, heb ik één of twee foto’s gezien van hoe het hier was. Eén van die foto’s had ik nog niet kunnen thuisbrengen. En nu had ik het gevonden.
De AIM is een bloeiend gebeuren, maar wordt in Centraal Afrika bemand door één enkele vrouw van vijftig jaar : Wendy uit de US of A. Ik vind de gedrevenheid, die je hier soms in mensen treft, bijzonder om te zien. Het is net als bij een panter. Onder die rust zit heel veel kracht, klaar voor actie.
Al die protestante zendelingen zijn – toen het hier benauwd werd – gevlucht. En het is maar een enkeling, die daarna is teruggekeerd. Ik vroeg haar waarom er niet meer mensen te porren waren om hier te komen werken. Ze antwoordde dat jonge mensen in hun vrije tijd behoefte hebben aan afleiding in de vorm van uitgaansgelegenheden, televisie, radio en internet. Ik kon dat maar moeilijk geloven, maar er waren verschillende gegadigden op verschillende posten aangekomen en ze waren allemaal om die reden na zo’n drie maanden weer gillend vertrokken.
Het is dan toch interessant om te zien dat al die tijd (tijdens de verschillende staatsgrepen) de katholieken rustig zijn blijven zitten. Er zijn natuurlijk ook steeds minder paters en zusters, maar in verhouding met de drie protestante zendelingen in dit land, zijn er toch onvoorstelbaar veel katholieke missionarissen hier. Iedereen heeft het nog steeds over de zusters van Kouango. Iedereen was de bossen in gevlucht. Ook de gendarme, de politie en het leger. De rebellen kwamen en wilden de boel al plunderen, toen de zusters verschenen. Ze hebben zich toen netjes gedragen en alleen de auto’s van de missie meegenomen. Soeur Marie Monique kan er nog emotioneel van worden : haar mooie Landcruiser. Maar desgevraagd geven ze wel toe erg bang te zijn geweest. Op een goed moment was het zelfs bijna ludiek : als de legerleiding wilde weten wat de stand van zaken was dan vroegen ze het niet aan de inmiddels teruggekeerde sterke arm, maar dan vroegen ze het aan de zusters.
En dat leeft nog steeds, want ik kwam in het nieuwe jaar langs Kouango en tot mijn stomme verbazing was de baan niet gebarricadeerd, terwijl alle vliegvelden in Centraal Afrika tot nader order waren gebarricadeerd. Toen ik daar later landde vroeg ik daarnaar. De gendarme had inderdaad aangegeven dat Bangui had bevolen de baan te barricaderen. Soeur Marie Monique had simpel ‘nee’ gezegd en daarmee was de kous af.

Afijn, ik heb een poosje heel aangenaam met Wendy gepraat. Ze bood me heerlijke koffie aan en vanaf de veranda was er een prachtig uitzicht over een weelderig groene vallei. Daarna ben ik op zoek gegaan naar mijn kluppie : de katholieken. Toen ik bij de Wendy kwam, was net de pater op bezoek, dus die verwachtte me al. Het contact tussen protestant en katholiek is ook hier heel vriendelijk, in tegenstelling tot Nieuw Guinea, waar vooral de protestanten ervan overtuigd waren dat de katholieken een enkele reis naar de hel op hun voorhoofd hadden staan.
Bij de pater werd ik meteen getracteerd op een heerlijke warme maaltijd. Het was kwart voor elf, maar toch heb ik het mij best laten smaken. Om elf uur vond ik dat ik echt verder moest, maar ik vroeg hem nog even contact op te nemen met Mobaye – om elf uur per radio – om iets door te geven. Toen ik later bij het vliegtuig stond, kwam hij met zijn onvermijdelijke Landcruiser pickup het veld opscheuren. Er was een medisch noodgeval op Bambari : of ik even kon omvliegen om een zieke zuster en de dokter op te pikken. Ik liet hem even in de cabine kijken, hetgeen hem niet vrolijker maakte. Ik begon evenwel de boel opnieuw te verbouwen en wist zodoende nog een derde plaats te creeren. De dokter had graag gratis een retourtje Bambari-Bangui gehad, maar gelukkig wisten we hem er – per vliegtuig radio - van te overtuigen dat de mensen van Artsen zonder Grenzen (verplegers immers) ook heel goed op de zuster konden passen.
Twee-en-een-half uur later kwamen we op Bambari inderdaad een wat bleke zuster tegen. Ze had nu al drie keer achter elkaar malaria gehad en los van het feit dat ze daardoor natuurlijk behoorlijk verzwakt was geraakt, vermoedde de dokter dat er iets anders achter schuilging. Hier in Bangui kan je bij het Institut Pasteur alle onderzoeken laten doen, die je je maar wensen kunt en vandaar de evacuatie. De zuster had nog een grote, zware koffer bij zich, maar na enig gepuzzel kon ook die erbij.

De grote grensrivier de U’Bangui komt altijd wel ergens in de vlucht in beeld en het blijft een indrukwekkend beeld. Het is ook een beeld wat aan verandering onderhevig is. In de natte tijd stroomt er 10.000 kubieke meter per seconde door de rivier. In de droge tijd loopt dat terug naar 1.500 kubieke meter per seconde (ik heb op straat een atlas van Centraal Afrika op de kop getikt). Dat gaat gepaard met een verval van zo’n acht meter. Met als gevolg dat er heel veel zandbanken boven water komen. Het aardige is nu dat die zandbanken onmiddellijk worden bewoond door vissers. Kennelijk is het goed vissen daar.
Het is dan interessant om te zien wie waar gaat zitten. De boel is niet officiel verpacht, maar er zijn wel duidelijk grenzen. In plaats en in tijd. Bijvoorbeeld bij de stuw van Mobaye wordt vier-en-twintig uur per dag gevist. De tijden dat een bepaalde familie mag vissen liggen heel precies vast. Maar niet op papier natuurlijk.
Nu, met die zandbanken, gaan de vissers van Mobaye ook op pad. Ze gaan dan wonen op de zandbanken bij ... Kouango. Honderdvijftig kilometer verderop! Daar hebben ze namelijk familie ....

Comments: Post a Comment

Links to this post:

Create a Link



<< Home

This page is powered by Blogger. Isn't yours?