Wednesday, February 22, 2006

 

Van een evacuatie en van een verdwenen vliegveld .....

Vrijdagavond om 22:30 uur werd ik gebeld. Artsen zonder Grenzen wilde dat ik zaterdag voor hun zou vliegen. Ik was enigszins geergerd door het late tijdstip en bovendien had ik geen zin om zaterdag te vliegen. Maar mij werd duidelijk gemaakt dat het om één of andere noodsituatie ging en we kwamen overeen dat ik om 06:00 uur met twee mensen van AzG naar M’Boki zou vliegen.
De volgende morgen bleek dat alles wat vleugels had naar M’Boki ging om iedereen daar weg te halen. Gaandeweg de dag werd duidelijk dat men al vijf dagen een groep van honderdvijftig Oegandezen in de gaten hield, die kennelijk het doel hadden de mensen van de UNHCR – die ook in M’Boki zitten – een kopje kleiner te maken. Het schenen nogal ongenuanceerde types te zijn, die met een machete net zo goed overweg konden als met een kalashnikov. Ze hadden in Zaire al een spoor van dood en vernieling achtergelaten, waarbij ze speciaal de mensen van de UN op de korrel leken te hebben. Nu kwamen ze te dicht bij M’Boki en zo had de UNHCR de evacuatie geinitieerd en daarbij wilde AzG niet achterblijven.
Ik had twee mensen van AzG bij me, die de aftocht zouden coordineren en als laatste het schip zouden verlaten. Samen met de Cessna 182 van Aviation sans Frontieres vloog ik naar M’Boki. Ter hoogte van Kouango begon tot mijn grote verdriet mijn motor weer te hoesten en besloten we om naar Kouango uit te wijken. Daar nam ASF mijn passagiers over en vertrok weer op weg naar M’Boki. Toen ik mijn motor uitprobeerde bleek hij het weer voorbeeldig te doen, zodat ik besloot om naar Bangui terug te vliegen. Onderweg dacht ik natuurlijk na wat er nú de oorzaak van kon zijn, dat de motor weer kuren vertoonde. Dichtbij Bangui begon de motor weer te hoesten en het feit dat hij nu ook op de rechtermagneet kuren leek te hebben, deed me denken aan slechte bougies. Gelukkig had ik kortgeleden een doos nieuwe bougies gekregen en we hebben ze allemaal vervangen.
Nu liep de motor weer voorbeeldig en zo ging ik om 11:00 uur opnieuw op weg naar M’Boki.
Deze keer verliep de reis voorspoedig. Ik had contact met Obo – een plaats waar de rebellen eerder langs zouden moeten komen – en die hadden nog niks gezien, dus hoefde ik me er ook geen zorgen over te maken dat ik zelf gevaar zou lopen.
Op M’Boki hadden ze deze keer geen brandstof, dus moest ik – met vier AzGers – naar Zemio, waar wel brandstof was. Vervolgens was het natuurlijk al te laat om met daglicht op Bangui aan te komen, maar goed, op Bangui kan je ook in de nacht terecht.
Ik had het langzamerhand wel zo’n beetje gehad en Bangassou lag nog wel binnen bereik. Ik riep dus Bangassou op en tot mijn stomme verbazing antwoordde pere Theo direct. Natuurlijk waren we van harte welkom en even later zat ik genoeglijk aan een glas heerlijke whiskey te vertellen van mijn wederwaardigheden van die dag. Pere Theo merkte terloops op, dat het eigenlijk wel een wonder was, dat hij geantwoord had. Het gewone radiouurtje loopt van 15:00 uur tot 15:30 uur en hij was vergeten hem uit te zetten. Vervolgens was hij om 16:15 uur – toen ik hem opriep – toevallig in de buurt geweest. Zodoende.

De volgende dag kwamen we zonder verdere voorvallen mooi voor de lunch in Bangui aan. Ik zat net aan het dessert, toen mijn telefoon ging. Het was Dialo van Minair. Of ik hem alsjeblieft uit de brand kon helpen. Er moesten twee jagers naar Bohoe en er moesten vier jagers terug naar Bangui, die diezelfde avond het vliegtuig van Air France moesten halen. Dit was natuurlijk een zuiver commerciele operatie en daar had ik dus wel moeite mee, want wij mogen niet commercieel vliegen. Dialo verzekerde me, dat hij me niet in moeilijkheden zou brengen en van pere Ben had ik toestemming om in voorkomende gevallen dergelijke acties uit te voeren, dus ik ging accoord. Ik had natuurlijk geen idee waar Bohoe lag en ik kon ook de coordinaten ervan niet vinden. Dialo had gezegd dat het vlak naast Sangba lag, dus die coordinaten kon ik vast in mijn GPS programmeren. Vervolgens kwam Dialo met de coordinaten van Bohoe, dus was het verder een gespreid bedje. De twee jagers waren Amerikanen uit Austin, Texas. Het waren aardige mannen, maar wel heel moe, want ze waren al vanaf vrijdag onderweg.
De reis verliep voorspoedig, maar het duurde wel een hele poos, want Bohoe ligt op 260 mijl van Bangui. Alles bijelkaar kwamen we een driekwartier voor zonsondergang bij Bohoe aan. De terugweg zou dus geheel in het duister verlopen.
Echter, heb je er wel eens bij stil gestaan wat er gebeurt als het puntje bij het paaltje komt en het blijkt dat er helemaal geen paaltje is. Dat is wel raar. En dat gebeurde ons. We kwamen op het opgegeven punt aan en er was geen strip. In de verste verte niet. Op 10 mijl afstand lag nu Sangba, dus besloten we om daar de weg te vragen. Het verging me als die Belgische parachutist, die verteld is dat hij aan het gele koordje moet trekken om de parachute te laten ontplooien. Als dat niet lukt, moet hij aan het rode koordje trekken voor de reserve parachute. Na de landing zou hij een fiets aantreffen, waarmee hij weer naar het vliegveld zou kunnen terugfietsen. De parachute ging niet open, evenmin als de reserveparachute. Awel, dacht de Belg, dan zal die fiets er ook wel niet staan. Evenzo had ik ernstige twijfels over de aanwezigheid van Sangba.
Maar gelukkig lag Sangba op het afgesproken punt in de late avondzon te bakken en konden we dus de weg vragen. Ze hadden helaas niet de coordinaten, maar ze wezen ons wel de richting aan. Aldus bemoedigd gingen wij weer hoopvol op weg, maar al wat we vonden : geen vliegveld. Juist voor donker raakten de wielen van onze Cessna de veilige aarde van Sangba. Daar bleek juist een auto te zijn, die naar Bohoe zou gaan, zodat de twee jagers in elk geval zouden aankomen op Bohoe. De vier anderen hadden gewoon vet pech.
Ik bleek op een Ecovac veld te zijn geland. Ecovac houdt zich bezig met de bescherming van de fauna tegen stropers. Het aardige is, dat hier overal trofeen aan de muur hingen. Maar in dit geval waren het geen indrukwekkende geweien, maar zadels van stropers. Zoals ik al eerder schreef, proberen de Ecovaccers de mensen te ontzien, maar schieten ze op het vervoer : paarden en kamelen. Het schijnen soms wel hachelijke toestanden te zijn. Ze moeten met veertig man een gebied beschermen, zo groot als half Nederland. Ze staan dan soms tegenover troepen van vijftig stropers, die allemaal beter bewapend zijn dan de Ecovaccers. Het voordeel van de Ecovaccers is dat ze het terrein goed kennen.
Ook de Ecovaccers hebben te maken met het probleem van uitblijvende soldij, terwijl ook de beloofde subsidie door de Europese Gemeenschap al acht maanden op zich laat wachten. Toch zijn ze nog goed bezig, want ze hebben de bewoners van het gebied zover, dat deze inzien dat er bij goed beheer meer te halen valt dan bij stroop partijen. De lokalen doen dus nu niet meer mee met stropen. Ze helpen mee met de bescherming en ze varen er wel bij. Ze krijgen het vlees van het – door de jagers geschoten – wild. De jagers nemen alleen de trofeen mee naar huis. Bovendien leggen die jagers astronomische bedragen neer voor twee weekjes knallen en de lokale bewoners krijgen daarvan eerlijk hun deel.
De chef van Ecovac ontving mij heel hartelijk in zijn huis en trakteerde me op Facocher, een wild zwijn, en patat frites. Na de maaltijd wees hij me mijn slaapsalet. Een afgelegen huisje in het bos. Natuurlijk belde ik even naar Bangui, dat ze zich geen zorgen hoefden te maken.
Na nog even mijn boek uitgelezen te hebben kroop ik in een prima bed met idem klamboe.

Ik voelde me niet helemaal op mijn gemak. Het was om te beginnen natuurlijk aardedonker. Bovendien ben ik in Nederland eens in een dergelijke situatie – eenzaam huisje in het bos - ’s nachts overvallen en dat gaat je niet in je kouwe kleren zitten. Maar goed, ik vond dat ik me geen zorgen hoefde te maken en ik sprak mezelf dan ook geruststellend toe.
Vervolgens hoorde ik onder mijn raam – ik sliep op de begane grond – een geluid als van een beest. Ik maakte me geen enkele zorgen, totdat het beest een zucht slaakte. Alsof je een zucht slaakt in een kathedraal. Je hoorde het haast galmen. Ik had nog maar één beest meegemaakt met zo’n klankkast. Ik hoefde niet lang op bevestiging te wachte. Er liep in het bos iets of iemand naderbij en het beest gaf me toch een brul. Het kwam uit zijn tenen en het galmde in- en uitwendig : een leeuw. Een echte leeuw. En ik had net nog daar buiten staan bellen. Ik schrok me rot. Ik hoefde nu in elk geval niet meer bang te zijn voor ongenode gasten, maar heel erg lekker lag ik toch niet. De hele nacht bleef hij onder mijn raam galmend reutelen en zuchten en ik heb geen oog dicht gedaan.

De volgende dag konden ze me de coordinaten geven van Bohoe. Het bleek een mijl of vijf verwijderd te liggen ten opzichte van het opgegeven punt. Om half zeven hing ik in de lucht en twaalf minuten later stond ik op Bohoe uit te leggen waarom ik er nu pas was. Met de passagiers, die inmiddels hun aansluiting hadden gemist togen we huiswaarts.
Na aankomst werd ik bij de toren ontboden. Ik had gisteren namelijk tegen Brazzaville gezegd dat ik Bohoe in beeld had. Waarna Bohoe veranderde in een zandplek in plaats van een vliegveld. Daarna was ik te druk geweest met zoeken om nog contact met Brazzaville te leggen. Later had Bohoe Bangui gebeld om te vragen waar ik was, waarop Bangui onthutst antwoordde dat ik op Bohoe geland was. Niet dus. Waar was Hans gebleven. Paniek.
Ik had naar St Charles gebeld met de boodschap dit ook even door te geven aan de bevoegde instanties. En dat was dus niet gebeurd. Nou ja ....
Op Bangui stond weer een wanhopige Dialo. Of ik alsjeblieft nog een keertje ..... Eerst naar Bamingi en daarna naar Sangba en dan leeg terug. Dat kwam goed uit, want ik moest eigenlijk ook Helmut en Kalil uit Mobaye ophalen. En zo stonden we tien minuten voor zonsondergang weer in Bangui.
Het waren drie heftige dagen geweest. Drie dagen lang in dezelfde kleren .... Jakkes ...

Comments: Post a Comment

Links to this post:

Create a Link



<< Home

This page is powered by Blogger. Isn't yours?