Tuesday, February 07, 2006

 

Vrijwilligers

Vrijdag 3 februari, moest ik twee zusters van Bambari naar Bangui brengen. De zondag daaraanvoorafgaand was er een vriend van Thomas en Annick – Franse vrijwilligers in Bambari – uit Frankrijk aangekomen. Of ik die misschien kon brengen? Bovendien wilde Olivier – van het Internationale Rode Kruis – graag vrijdag van Bangassou naar Bangui.
Oh ja, er wilde ook nog een zuster van Bangui naar Bangassou.
Met zuster en vriend zijn we maandag 30 januari dus naar Bambari gegaan. Daar zou ik dan tot vrijdag te gast zijn bij Thomas en Annick.
En dat was natuurlijk weer erg gezellig en ook leerzaam. Waar zal ik eens beginnen?
Thomas en Annick zijn Franse vrijwilligers. Co-operanten noemen ze dat hier. In Frankrijk zijn er meerdere organisaties, die zich op grote schaal bezig houden met het uitzenden van vrijwilligers over de hele wereld. Ik krijg de indruk dat dat toegankelijker is dan in Nederland. Veel paters zijn op die manier begonnen en gegrepen. Je treft jonge mensen aan – Thomas en Annick zijn 27 jaar. En je treft mensen aan, die hier gewoon zijn gebleven.
Thomas en Annick geven hier les, ze hebben een bibliotheek - zoals in Mobaye (inclusief Asterix en Obelix ;) ) - opgestart en ze hebben een bloeiend alfabetiserings project opgestart, wat geheel zelfstandig draait.
Vaak is het een stukje organisatie wat lijkt te ontbreken. Als de motor één keer draait, dan blijft ie ook wel draaien. In het geval van het alfabetiseringsproject viel het niet mee om een meester te vinden, die voor een klasje volwassenen wilde gaan staan. Vooral, omdat die volwassenen moeite hadden met betalen. De eerste klas werd een succes. Inmiddels draaien er drie klassen en kan de meester er prima van leven.
We zijn ook bij de SUCAF wezen kijken. Dat is de suiker fabriek van Centraal Afrika. Het is een raar gezicht als je er aankomt. Vanuit het ruige Afrikaanse land rij je ineens het gecultiveerde Franse land binnen. Rollende heuvels met 1600 hectare suikerriet! Vanuit de verte lijkt het een goed gemaaid grasveld. Dorpen met electriciteitsmasten ernaartoe. Alleen zijn de huizen in de dorpen toch weer de welbekende kleien hutten. Een rare mengeling van contrasten.
De fabriek zelf mochten we ook bekijken. Het was de moeite waard. Hij stond er pas twintig jaar. De fabriek had de roerige tijd (‘les evenements’ noemen ze dat hier eufemistisch, daarmee bedoelen ze de reeks staatsgrepen, die tussen 1993 en 2003 hebben plaatsgevonden) prima doorstaan. Niet in de laatste plaats is dat te danken aan het vernuft van deze fabriek. Hij heeft namelijk geen externe brandstof nodig. Het afval van het suikerriet is voldoende om het ding aan de gang te houden. Bovendien is er nog genoeg over om een generator van twee megawatt aan te drijven, zodat de hele omgeving van stroom wordt voorzien. De fabriek draait zes maanden in het jaar volcontinue (dat is 24 uur per dag). De andere zes maanden wordt er onderhoud gepleegd. Ze maken genoeg voor de C.A.R. en hebben dan ook nog over voor de export. Ze zijn echt goed bezig.
Het suikerriet wordt met de hand gekapt – pfffffffffff, wát een werk. Het wordt wel met tractoren opgehaald. De suiker is heerlijk. Ik heb er een brok van gepakt en opgesmult. Net zoals alles hier, heeft het meer smaak dan ik – thuis - gewend ben.
Op de terugweg hadden we honger en zijn we langs de kant van de weg gaan eten. Erg gezellig en voor een habbekrats heb je je buik vol. Erg lekker ook. Maar ja, ten opzichte van de Nederlandse keuken valt het natuurlijk altijd mee. Alleen de chenilles (een soort grote, gebakken tor) en de thermieten (ook gebakken) heb ik nog niet durven eten.
Thomas en Annick wonen in een gewoon hutje in de wijk. Daar konden we niet bij, dus hebben we op de missie gelogeerd. Maar we hebben wel een avond bij hun gegeten. In het stikdonker zijn er dan overal olielampjes en vuurtjes waarop gekookt wordt. Overal klinkt vrolijk gebabbel en kindergezang. Ze wonen naast de put, dus aanloop is er genoeg. Ze praten ook nog eens vloeiend Sango en ze zijn in heel Bambari (tweede stad van Centraal Afrika met zo’n 30.000 inwoners) bekend. Al die lampjes, al die vuurtjes, al dat gekwebbel geeft een hele intieme sfeer. Omdat er nergens een schutting is, klinkt alles ook heel dichtbij. In die zin lijkt het soms bijna of je op een toneel zit.
Vrijdag ben ik met drie zusters naar Bangassou vertrokken. Onderweg heb ik SUCAF weer opgezocht. Ook vanuit de lucht is het een wonderlijk verschijnsel. De landingsbaan – waarvan mij verteld was, dat die er was - heb ik ook gevonden en die bleek uitzonderlijk goed. Handig om achter de hand te hebben als Bambari weer eens onverhoopt gebarricadeerd is en je hebt geen benzine meer ...
Op Bangassou ging er één zuster af en kwam Olivier erbij en zo zijn we – via Mobaye (even de post afleveren en andere post meenemen) – in Bangui aangekomen. Het was inmiddels vijf uur in de middag en ik had het wel gezien voor die dag. Heel even heb ik mijn telefoon aangezet, maar die begon zó te rinkelen – iets van dertig telefoontjes in mijn afwezigheid – dat ik hem maar weer gauw heb uitgezet.
Smerig, bezweet, moe ... een week lang in het binnenland is leuk, maar ook vermoeiend en al je kleren zijn na verloop van tijd vies. Ik heb er dé probate oplossing voor gevonden. Maison Combonie – van de congregatie van de Comboniennen – ligt tegen de heuvel. Dat zegt natuurlijk niet veel, maar als je op de heuvel woont, dan woon je op stand. Ze hebben het huis van een oude Franse patricier overgenomen, inclusief ... zwembad ...! En wat is het dán lekker om na zo’n week dáárin te gaan liggen! Hemels. Tegen de tijd dat ik eindelijk daar was, was het inmiddels donker. In het donker in het water liggen, met de sterrenhemel boven je en de maan spiegelend in het water ... super ...
Ook de rest van de avond heb ik de telefoon niet meer aangezet, want de volgende dag vroeg zou ik toch alweer onderweg zijn, dus voor de meesten kon ik niks betekenen.

We hebben een echt ‘hoera’ moment, want we hebben er een goede klant bij : La Gounda!!
La Gounda, daar zijn we – mijn gezin en ik, meteen na hun aankomst in Bangui – heengegaan. We hebben ze daar een beetje geholpen en we hebben een goede indruk gemaakt. Kortom, ik mocht blijven. En dat is fijn, want ze huren het vliegtuig voor de volle prijs en daarmee kan ik het onderhoud wel betalen. En dat is belangrijk, want na La Gounda staat er weer een vijftig uurs inspectie op het program.
De passagiers blijken een prominent stel uit Bangui en een vriendin van het stel, ex-prominent Bangui (nu elders werkzaam). Het weerbericht heeft een matige wind van rechtsopzij voorspeld op 5000 voet, maar op die hoogte heb ik nog maar 75 knopen grondsnelheid, dus ik heb een enorme puist tegenwind. We proberen het een poosje wat lager, maar het schommelt als de ziekte en - wat ik nog nooit heb meegemaakt – op een gegeven moment zakt ook hier de grondsnelheid naar ergens in de 70 knopen. Dan maar naar boven, daar heb je in elk geval een hogere werkelijke snelheid, omdat de lucht dunner is en de lucht is tenminste stiller. Boven de 10.000 voet zie ik inderdaad de grondsnelheid op een gegeven moment de luchtsnelheid overtreffen. Maar dan praten we nog steeds over maar 90 knopen. Het wordt een eindeloze zit. Gelukkig is het zaterdag en dus is de wereldomroep de hele dag in de lucht. Normaal kapt die er om tien uur mee.
Mijn passagiers hebben al die tijd niet veel aandacht gehad voor het landschap. Goed, het is nogal eenzijdig groen, maar halverwege heb je toch indrukwekkende rotspartijen. Een beetje zoals Aers Rock (ofzo?) in Australie. Nee, in plaats daarvan nemen ze de ene na de andere catalogus door van de allerlaatste PC Hooft tractoren. De moed zakt me in de schoenen. Ik hoef straks toch niet ook áárdig te doen tegen die lui, he?
Bij aankomst scheren we over het terrein waar de beesten soms zitten en we zien waaratje ruim dertig Nijlpaarden ongelovig omhoog kijken. En dat is maar goed ook, want als we later – op de grond – naar hun vaste stek gaan, zijn ze hartstikke weg. Later blijkt, dat ze gewoon één poeltje verderop zaten, maar ja, dat kon ik vanuit de lucht ook zogauw niet zien.

Uiteindelijk blijken de gasten best mee te vallen. Het is zelfs interessant om hun invalshoek op de toestand in de C.A.R. te horen, omdat die een helicopterview betreft. Zo vertellen ze, dat er een bepaalde groep – welbekend, ik zal hem hier niet bij name noemen – in Bangui is, die de rebellen steunt. Het is een groep, die baat heeft bij instabiliteit. Een groep, die baat heeft bij corruptie.
Ook is bekend, wie zich aan welke corruptie schuldig maakt. Maar het is net als bij relatieproblemen : op een gegeven moment heb je wel in beeld hoe de vork in de steel zit, maar dan blijkt het nog niet vanzelfsprekend dat je de koe ook bij de horens weet te vatten.
Verder maken ze zich zorgen over het stropen, wat te pas en te onpas gebeurt. La Gounda staat op de werelderfgoedlijst van de Unesco, maar aan beveiliging wordt weinig of niets gedaan. Sinds de ongeregeldheden is de boel hier vernield en ligt het park stil. Dus hebben de stropers vrij spel. Een jaar geleden hebben meneer en mevrouw Brontesi (Louis en Marie Claude, telefoonnummer 00235613277) op verzoek het boeltje weer opgepakt. Ze hopen dat er – door toenemende belangstelling – ook meer aandacht komt voor beveiliging. Ze hebben hier bijvoorbeeld kort geleden de Franse ambassadeur op bezoek gehad. Ze hopen – als NGO (non gouvernemental organisation) – ook geld van de EU los te krijgen. De exploitatie als zo danig levert lang niet genoeg op om de kosten te dekken. Maar wat is nou het belang van een prachtig wildpark, als je er niet eens een bezoekje kan afleggen.
Tot overmaat van ramp zijn er sinds kort in Bangui Turkse mensen gesignaleerd. Dat klinkt erg rascistisch, maar zo is het niet bedoeld. De Turken hebben het verdrag – waarin wordt verboden ivoor te verhandelen – niet ondertekend. De Turken zijn in Bangui om ivoor te kopen. En daarmee bevorderen ze direct de stroperij.
Naast stropers komen ze hier – op La Gounda – inmiddels ook wel de gevolgen van toenemende belangstelling tegen in de vorm van bescherming tegen stropers. Soms duiken ruige types op, die dan ooit in het vreemdelingen legioen hebben gezeten ofzo en nu jacht maken op de jagers.
Nu – nadat La Gounda een jaar weer in bedrijf is – komt ook de Unicef over de brug : over anderhalve week komt er een team – betaald door Unicef – La Gounda beveiligen. Dat schijnt met een kleine ploeg vrij snel effectief te werken.
Nog verder naar het noorden was er een reservaat, waar bijna geen dieren meer waren. Een klein ploegje heeft toen onder de stropers huisgehouden en het was meteen over. Nu barst het daar weer van de beesten. De verschillende parken beginnen zelfs aan een uitwisseling van soorten te denken.
Overigens schieten ze de stropers niet direct dood. De stropers komen met fietsen (!), die zijn makkelijk genoeg te slopen. Ze komen ook met kamelen. Dat is dan dus wel jammer voor die kamelen, want die worden wel doodgeschoten. Maar dat gebeurt twee keer en daarna weet iedereen dat de vrije jacht hier gesloten is.
Het is net als met snelheidsovertredingen. Zolang er niemand kijkt, rij je wat je rijen kan. Gaat er iemand meekijken en krijg je een paar keer een hoge boete, dan is de lol er zo vanaf.
Maar de overwegende toon van mijn medereizigers is een afschuw van het idee ‘na mij de zondvloed’, of - zoals dat bij de Fransen natuurlijk veel mooier klinkt - : ‘apres moi le deluge’. En daarmee hebben ze dan toch wel weer mijn sympathie gewonnen.
Ze hebben het bij mij helemáál gemaakt, als ze beginnen ongezouten kritiek op de Europese Unie te spuien. Niet dat ik de Europese Unie een slecht hart toedraag, geenszins, maar nu worden de – toch wel gekleurde - verhalen van de missie verder geboekstaaft. Ik hoor graag een verhaal vanuit verschillende perspectieven en ik heb er nu een perspectief bij uit een hoek, waarvandaan ik hem wel als allerlaatste had verwacht. Het correspondeert voor bijna honderd procent met wat ik van de missie hoorde : er wordt een karwei aanbesteed, waar bedrijven op kunnen inschrijven. De goedkoopste krijgt de klus en het geld. Zo, klaar. Weer een goeie daad gedaan.
Het voorstel van de mensen hier is om een bedrijf de klus te gunnen en dat bedrijf draagt dan ook de verantwoordelijkheid voor het welslagen. Vervolgens wordt het bedrijf verplicht gesteld een bepaald percentage uit te besteden aan lokale bedrijven. Aan het eind van de rit moet de EU nog altijd wel komen kijken. Dat zal even wennen zijn, want dat doen ze nu meestal ook al niet. Maar, als er dan iets aan mankeert hoeven ze alleen de hoofdaannemer even fronsend aan te kijken om het één en ander weer recht te breien. Goed idee, he? Nu de EU nog over de brug ....
Overigens dachten zij ook wel dat 110 miljoen euro genoeg was om het land te kopen. Elke volgende die dan een staatsgreep wil plegen wordt dan tegengehouden met een ‘ho ho, eerst betalen en hier tekenen graag’.
Op mijn relativerende vraag, of de EU ook nog successen heeft geboekt de afgelopen tijd, wordt bevestigend geantwoord. ‘Ja, anders zouden ze wel kunnen opdoeken’, zeggen ze. Echter, als ik hun naar concrete voorbeelden vraag, wordt het stil ....
Het is helemaal tekenend als ik erbij vertel, dat één hunner zeer nauwe connecties heeft met de EU hier te lande .....
Eén ding valt me wel weer tegen : ze praten nog niet een woord Sango. Als ik tegen Serafin (de pisteur) begin te stamelen, vragen ze bewonderend of ik Sango ken? Nou nee, niet echt. Zij wonen hier al zó lang. Dat is nou ook niet echt een voorbeeld van integratie. Het is wel een voorbeeld van hoe je het in een besloten kring kennelijk lang kan uithouden. Ze praten ook wel op een betrokken manier over Centraal Afrika. Maar ik weet dan dus niet hoe hun Afrika eruit ziet. Nou ja .....

Ik mag mee op safarie en dat is erg leuk. Andere vliegers hebben daar geen zin in (huh ... ?) en vliegen leeg naar Bangui terug om dan een paar dagen later weer leeg te komen om de klanten weer op te halen. De rekening is voor La Gounda. Dan is het heel wat goedkoper om de vlieger op La Gounda te houden. En ik vind het hier ook honderd maal prettiger dan in dat stinkende, drukke Bangui.
Iedereen wil natuurlijk de leeuwen zien. Zoals veel beesten, hebben ze inmiddels jongen gekregen. De olifanten hebben - de dag voordat wij kwamen - de hele middag voor de hut, waar gegeten wordt, gestaan. We zien echter niets van dat alles. Wel zien we een kudde buffels. Die had ik de vorige keer nog niet gezien. Het zijn er vast wel tweehonderd. Écht ongelooflijk. Het barst natuurlijk van de hertjes – met jongen. Idem zwijnen. Idem apen.
Aan het eind van de tweede dag kunnen we aan het lijstje toevoegen een giraffe en een olifant. Ja, echt waar, eindelijk. Die stond nog wel op mijn verlanglijstje.
En dat is niet het enige, want ook op microvlak doen we ontdekkingen. We worden namelijk lekgeprikt door vliegen, die op horzels lijken. Erg leuk, vooral als de pisteur – een Centrafrikaan, die de beesten heel wat sneller ziet dan wij – langs zijn neus weg vertelt dat dát nou een Tse Tse vlieg is. Meneer hotemetoot (zo zal ik hem vanwege privacy redenen maar even noemen) merkt daarop droog op, dat we dan in elk geval lekker zullen slapen .....
Het zit mij niet lekker, maar het blijkt dat er – net als bij muggen, waarbij er van de vele soorten maar één is, die malaria overbrengt – verschillende typen zijn. En dit is een onschuldig type. Opluchting, maar ook jeuk is mijn deel.
Overigens is het grappig om te zien dat – wat er een maand geleden nog troosteloos verdord door het vuur bijstond – nu alweer een vrolijk groen jasje aanheeft. Een hele verbetering, vind ik
Tijdens het eten wordt er gezellig gebabbeld. Zo nu en dan wordt de stilte verscheurd door het gebrul van een leeuw of het gesnuif van een nijlpaard. Meneer Brontesi haalt de volgende historie aan :
Twee weken geleden kwam er – onverwacht – een groot vliegtuig op La Gounda landen. Men ging eens kijken wat dat te betekenen had. Uit het vliegtuig stapten een tiental jagers. Ze hadden hun wapens – van die overmaatse vioolkoffers – al in de auto liggen toen meneer Brontesi vroeg naar hun bedoelingen? Nou, ze kwamen jagen, dat was toch wel duidelijk? Ja, dat was het zeker, maar het was de jagers kennelijk niet duidelijk dat La Gounda een beschermd reservaat is, waar niet gejaagd mag worden.
Uiteindelijk zijn ze onverrichter zake weer vertrokken. Ze waren geflest door een Fransman, die ambassadeur is van de Centraal Afrikaanse Republiek in Bulgarije .....
En weet je wat jagers betalen, om hier twee weken te mogen knallen? Voor twee weken zijn ze uit en thuis minstens 22.000 euro kwijt ...........
Over contrasten gesproken.
Maandag 6 februari wagen we nog een poging om de leeuwen te vinden. Het is raar om te bedenken dat – terwijl ik om 08:10 uur door een savanne rijd, die langzaam, geurend opwarmt – mijn zoontje waarschijnlijk door drie graden motregen naar school peddelt. Het is een wonderlijke wereld, waarin wij leven.
We rijden lang en ik sta al die tijd. Dat is wel vermoeiend, maar ook wel lekker. Uiteindelijk komen we dan toch de nijlpaarden tegen en dat is wel leuk. Het zijn er inderdaad dertig en er zijn ook jonkies bij. We kunnen heel dicht bij komen en dat is dan wel weer spannend. Ze plonzen, ze snuiven, ze paren .... Het is een indrukwekkend schouwspel.
Bij het paren komt het mannetje helemaal boven water, zodat je ziet hoe groot die wel niet is. Van het wijfje zie je alleen zo nu en dan de neusgaten. Arm kind. Ik moet denken aan die wrede woerd, die zo nodig met zijn vrouwtje naar bed moet en haar daarbij en passant haast verzuipt. Gelukkig houdt een nijlpaard het wat langer vol heb ik begrepen. Bovendien heb ik begrepen dat er tegenwoordig een nieuwe mode ontstaat : wurgsex. Het schijnt dat er wel eens iemand bij overlijdt, maar het schijnt ook wel heel heerlijk te zijn. De nijlpaarden zijn echte trendsetters ....
Op het laatst zien we de olifanten weer. Het zijn er twee. Nota bene vlak naast het kamp. Serafin leidt ons te voet het moeras in, om de olifanten van dichtbij te zien. We hebben ze algauw gevonden. Ze steken net de rivier over en we lopen gauw nog dichterbij om alles goed te kunnen zien. Serafin fluistert dat ze bang zijn. ‘Ja’, zeg ik naar de olifanten knikkend, ‘dat lijkt er wel op’. ‘Nee’, zegt Serafin, ‘niet de olifanten, maar zij’. Hij wijst achter zich. Waar net nog de anderen stonden, staat nu niemand meer. Ik vond het in elk geval een geweldige ervaring ...
Na een heerlijk laatste avondje zijn we op tijd naar bed gegaan, want meneer H. had ’s morgens alweer om 10:00 uur een vergadering. De wekker ging dus om 04:30 uur en om 06:00 uur hingen we in de lucht. Meneer Brontesi was nog op zoek naar stropers. Hij had zijn GPS (global positioning system) mee om de positie vast te leggen als we ze zagen. Voor het A-team, wat immers weldra zou arriveren. Verder wilden de dames nog even naar de nijlpaarden zwaaien en zo duurde het nog even, voor we echt op weg waren.
Het was nu wel geen zaterdag, maar het was wel vroeg en tot 10:00 uur is de Nederlandse wereldomroep in de lucht.
Grauw weer, regenachtig en zes graden. Met morgen kans op storm.
Rottigheid om een paar grappige plaatjes in de krant. Hoever verwijderd zijn sommige mensen van de realiteit?
Maar het gaat goed met de beurs. De AEX staat op 450. Helaas ben ik vergeten waar die op stond toen ik wegging, dus of het nu om een tijdelijke opleving gaat of dat het structureel is : geen idee.
Ik ben me alvast een beetje aan het voorbereiden op wat komen gaat ....

Comments: Post a Comment

Links to this post:

Create a Link



<< Home

This page is powered by Blogger. Isn't yours?