Saturday, March 11, 2006

 

Geld .... hoe kom je eraan?

Geld .... hoe kom je eraan? Een universeel prangende vraag, nietwaar? Niks mis mee ook, vind ik.
Ik heb nu een beetje meer tijd. Dat is op zich niet onplezierig. Nog niet. Er valt nog best een hoop te regelen en de tijd vliegt. Nog steeds.
Ik heb daardoor ook meer tijd om beter om me heen te kijken. En dan is het interessant om te zien, hoe dat bedelen nu precies in zijn werk gaat. Net als met alles is ook dit volgens het principe ‘jong geleerd, oud gedaan’.
School is natuurlijk belangrijk, maar je moet wel je prioriteiten kennen. Met een school opleiding vind je mogelijk later een baan. En het hebben van een baan levert status. Maar van status kan je niet leven en salaris krijg je toch niet. In het binnenland eten de mensen van het land. In Bangui gaat dat niet, dus ....
Van jong tot oud zijn de handelingen identiek. Het argument wat men steeds gebruikt is – zoals ik al eens heb aangehaald – honger. De bijbehorende handelingen zijn al even weinig gevarieerd.
Je wordt door iemand opgemerkt. Hij of zij komt naar je toe. Beide handen gaan langzaam omhoog. ‘Kan ik het helpen?’, lijkt de ander ermee te willen uitdrukken. Daarna gaat het hoofd schuin achterover, er komt een lijdende blik in de ogen en .... Tot dan toe lijkt de actie te leiden tot een bescheiden vraag. Er volgt echter een bot commando : ‘geef me honderd frank!’.
Ik heb me nu – met al die mango’s – al een paar keer kostelijk vermaakt in zo’n situatie. Overigens samen met de betrokkene, dus niet ten koste van de betrokkene.
Ik antwoord op zijn opdracht honderd frank in te leveren met een zorgelijk ‘waarom?’. De lijdende blik verdiept zich nu en de lippen vormen moeizaam het woord ‘honger’. Daarbij klaart mijn gezicht op. Ik wijs de betrokkene, die zich altijd onder of naast een mango boom bevindt, op de ongekende mogelijkheden van deze goudmijn. De act raakt nu enigszins bevroren, lijkt het wel, maar de betrokkene houdt zich hoopvol van de domme. Waarop ik nader verklaar : ‘mango, n’zara pepe’. Oftewel door die berg mango’s heb je in elk geval geen last van honger. ‘En’ voeg ik er nog aan toe, ‘weet je wat het mooiste is? Het is GRATIS!’. Op dat moment ontspant de betrokkene en er komt een verlegen lachje om de lippen. ‘Jammer’, denkt hij dan, ‘dat bleekgezicht leek zo’n makkelijke prooi’.
Een kind van vijf volgt in deze act precies hetzelfde stramien als een volwassene en – hoewel de optredens natuurlijk niet simultaan plaatsvinden – geeft het toch een beetje de indruk van admiraalzeilen of formatievliegen. Exact dezelfde bewegingen uitvoeren. Heel knap eigenlijk.

Overigens ook wel aardig om te melden. Als je niet op tijd in de gaten hebt dat ze jou moeten hebben en je dreigt ze zomaar voorbij te lopen, dan gaan ze je aandacht trekken. Opnieuw een heel begrijpelijke actie. Echter de invulling van deze taak is een andere dan die, welke wij gewend zijn. Hier geen ‘hoi!’, ‘hallo!’, ‘meneer!’, of wat dan ook. Hier wordt gesist : ‘pssssssssssssssssssssssttttt .... !’.
Ken je die act van Wim Sonneveld, waarbij de notabelen van die plaats - waarvan hij de naam niet kan noemen, omdat het Amstelveen is - een voordracht bijwonen van een dokter, die allerlei akelige zweren vertoont? De restauratiehouder rent naar voren – bezorgd voor zijn handel die avond – en roept ‘hee, pssssst ... !’ En hij vraagt de man zijn lichtbeeld vertoning te staken. Het ‘pssssst ...!’gaat niet meer helemaal van harte en dat komt door zijn gebit, wat niet meer helemaal in originele staat verkeerd.
Afijn, ik hoef nu niet meer uit te leggen, dat in dit land – waar de tandheelkundige hulpverlening nog niet helemaal uit de verf is gekomen – de staat van de gebitten soms ook te wensen overlaat. Dit motiveert de Centraal Afrikaan echter niet om een andere route te kiezen. Misschien dat het bij mij extra binnendenderd, omdat ik zelf slis en me dus zou schamen om dat zo ten toon te stellen.

Gisteren ben ik, voor de derde maal in mijn loopbaan hier, aangehouden. Ik reed op de oude startbaan, die nu een brede weg dwars door de stad is. Halverwege zag ik op mijn helft gewapende oproerpolitie op de weg staan. De tegenliggers reden gewoon door. Ik was de enige auto aan mijn kant en ik wist niet wat de bedoeling was. Ik stopte dus bij de politie agenten om te vragen wat de bedoeling was.
Eén kwam geagiteerd naar me toegelopen. ‘Je rijbewijs!’, blafte hij. ‘Natuurlijk, agent’, antwoordde ik beleeft, ‘maar kunt u mij ook vertellen, wat er aan de hand is en wat ik moet doen?’. Er kwam een verhaal, wat ik niet helemaal begrepen heb, maar het had ermee te maken dat de president er was en dat ik daar nooit had mogen zijn.
Nou ja ...
Vervolgens stapte hij bij me in en zei dreigend dat we nu op weg gingen naar de brigade criminel. Hij wees de weg en begon me barse vragen te stellen.
‘Sinds wanneer was ik in het land?’. ‘Sinds vijf en twintig september’, antwoordde ik.
‘Aha, 2006?’, vroeg hij. ‘Nou, nee, dat is het nog niet’, antwoordde ik.
‘Oh, 2005. Dus dan ben je hier al ruim een jaar en dan zou je beter moeten weten!’, was zijn commentaar. ‘Nou excuses’, antwoordde ik, ‘maar dat is volgens mij nog maar net vijf maanden?’.
‘Ach ja, natuurlijk. Zeg, uit welk land kom je? Ben je soms Chinees?’. Nu begon ik hem toch echt onderzoekend aan te kijken. Ik zag, nog rook iets wat op dronkenschap zou kunnen wijzen, maar dit was toch wel buitensporig. Zeker, omdat er hier in de stad best wat Chinezen rondlopen en hij hield niet op met te benadrukken dat hij een goede opleiding tot politieman had genoten.
Ik legde hem uit dat ik uit Nederland kwam. ‘Ach, natuurlijk’, zei hij naar mijn rijbewijs kijkend, ‘daar ben ik trouwens nog niet geweest’. De sky leek bij deze man de limit. Het was niet mogelijk om me voor te bereiden op de volgende verrassing, die hij voor mij in petto had. Hij vroeg me nu hoe ik heette en ik wees hem op mijn geschreven naam, terwijl ik hem tegelijk uitsprak. Dat viel natuurlijk niet mee. Hij wees dan ook op de plaats, waar ik woon : Haarlem. Ik sprak het voor hem uit en ik legde uit dat ik daar woonde. Sindsdien heette ik voor hem meneer Haarlem, wat gemakkelijker was dan meneer Swellengrebel, wat natuurlijk gewoonweg waar is.
Na een tien minuten wees hij me naar de kant van de weg. Hij zette zijn helm af en hij begon uit te leggen dat ik zometeen vies veel geld ging betalen, omdat ik een ernstige overtreding had begaan. Maar hij was de vervelendste niet en hij zou me met vijftien duizend en een reprimande laten gaan.
Daarop vertelde ik hem hoe het volgens mij was gegaan en dat ik daaruit de conclusie trok, dat mij geen blaam trof. Hij kon dat niet ontkennen, maar toen zei hij er ijskoud bij dat hij de feiten dan wel zou verdraaien. Aha, maar dan ging ik ook vervelend doen en ik vertelde hem – net als bij de eerdere aanhouding – dat ik dan de gratis service van het vervoer van salarissen zou staken. En dat zijn chef Damango dan wel heel vervelende vragen zou stellen.
Zijn antwoord zorgde voor een vervelende en onverwachte verrassing. Damango? Ha, daar moest hij toch wel even om lachen. Damango was de chef van de gendarme en hij was van de politie .....
Daar zat ik met mijn mond vol tanden. Dus begon ik het verhaal, wat ik tegenover iemand ophang, die mij aardig lijkt maar nochtans om geld bedelt. Een goed verhaal, wat ik in de loop van de tijd heb opgepoets inclusief een flinke portie medeleven met de lijder in kwestie. Iets wat ik overigens geenszins speel.
Hij was zichtbaar onder de indruk en begon toen zijn lijdensverhaal, wat uiteindelijk natuurlijk uitmondde in het feit dat hij geen salaris kreeg.
Ik onderstreepte nogmaals mijn medeleven. Ik onderstreepte ook nogmaals, dat ik desondanks nooit of te nimmer geld gaf.
Daarop werd het stil. En het bleef een poos stil, terwijl hij voor zich uit staarde. Toen blafte hij ineens dat hij wachtte! Ik schrok wakker en ik vroeg hem waarop hij wachtte? Nou op die vijftien duizend natuurlijk.
Wat vermoeid nu – die mensen horen je geduldig aan, maar ze luisteren NOOIT – antwoordde ik dat ik, zoals ik net omstandig had uitgelegd, niet ging betalen. Niet aan hem en niet aan zijn baas. Ik had namelijk niks foutgedaan.
‘Dat zullen we nog wel eens zien’, riep hij uit. ‘Vooruit, naar de brigade criminel!’. En hij dirigeerde me dezelfde weg, die we net gekomen waren. Verbaasd vroeg ik mezelf af waar we dan zonet naar op weg waren geweest. Ik denk dat hij me gewoon willekeurig ergens heen liet sturen. Vlak voordat we weer bij de plek – waar het misdrijf had plaatsgevonden – kwamen, liet hij me weer stoppen. Hij zei nu iets zo zacht, dat ik hem niet kon verstaan. Ik stopte de motor en ik zei hem dat hij iets harder moest praten. Bevend haalde hij nu een doktersrecept te voorschijn, wat hij me toonde. ‘Ik moet medicijnen hebben en ik kan ze niet betalen’ zei hij verdrietig. Er was nu niets onechts meer aan deze man en ik hoefde er geen seconde over na te denken. Ik startte de auto en keerde. Hij keek verbaasd naar deze handelingen, waarop ik verklaarde dat we nu natuurlijk naar de apotheek gingen.
Hij heeft de hele heen- en terugweg God lof gebracht. En vertelt dat God mij wel uitbundig zou zegenen. Ik was onder de indruk van zijn oprechte opluchting. Maar na enige tijd kwam het feit, dat God mij de rest van mijn leven zou zegenen, mij wat onwerkelijk voor. Ik bracht hem weer met beide benen op de grond met de simpele constatering dat je God niet kan kopen. Iets wat hij in feite beweerde. Hij kon niet ontkennen dat in die stelling een grond van waarheid stak en hij bond dientengevolge wat in.
Ik heb hem daarna weer op zijn post afgezet en zijn collega’s keken verbaasd toe, hoe wij vriendschappelijk afscheid namen. Eén collega kwam naar mijn raampje toe om een verklaring van mijn goede humeur te krijgen. Toen ik hem die gaf vroeg hij natuurlijk prompt om een centje. Nu had ik evenwel voldoende tijd besteed aan uitleg met betrekking tot dit onderwerp en ik vroeg dan ook mijn inmiddels goed onderlegde politie vriend om zijn collega één en ander uit te leggen.

‘De humor ligt op straat, meneer’, zei Wim Sonneveld al en hij had schoon gelijk.

Comments: Post a Comment



<< Home

This page is powered by Blogger. Isn't yours?